Yves Desmet in gesprek met Jan de Zutter

over tekenen, politiek, grafiet en bomen…

Dat is het wonderlijke aan tekenen en schilderen: het is volstrekt nutteloos

Franz Gertsch, Medici, 1971

 

IIn de kerstvakantie van 2017 heb je, na dertig jaar niet meer te hebben getekend, opnieuw de potloden ter hand genomen. De openingsvraag is eigenlijk eenvoudig. Waarom heb je dertig jaar lang niet meer getekend?

 

Dat was een beetje jouw schuld meneer Desmet. Niet van jou persoonlijk, maar van de krant waar jij hoofdredacteur van bent geweest. Ik ben, na mijn opleiding kunstgeschiedenis en mijn burgerdienst, in 1986 aan de slag gegaan bij De Morgen. Aanvankelijk om te schrijven over het project Chambres d’Amis van Jan Hoet. Toenmalig hoofdredacteur Paul Goossens bood me daarna een vakantiejob aan en ik ben zo en stoemelings in de journalistiek gerold. Je kent de drill op zo’n redactie. Jonge journalisten werken laat, je werd naar de drukkerij gestuurd om de drukplaten te controleren, je hebt zondagdiensten… Afijn, van tekenen en schilderen kwam er niet veel meer in huis.

 

Had jij toen al een teken- of schilderopleiding achter de rug?

 

Van zolang ik me kan herinneren, heb ik getekend. Vanaf mijn negende of zo ben ik naar de academie van Mortsel gegaan. Ik heb daar ondermeer modeltekenen en portrettekenen gedaan. Ik had twee uitstekende leraars, Peter Van Tongerloo en Wlad Moszowski, klassiek geschoolde kunstenaars die ervoor gezorgd hebben dat ik de basics van tekenen onder de knie heb gekregen. Ik was nogal rabiaat in die tijd. Ik ging als tiener maandagavond, woensdagnamiddag, zaterdag- en zondagvoormiddag naar de academie. Ik deed dat gewoon heel graag. Ik ben blijven tekenen en schilderen toen ik in Gent kunstgeschiedenis studeerde. Daar leerde ik ook Michel Buylen kennen, een kunstenaar die erg belangrijk is geweest om het realisme een plek te kunnen geven in de actualiteit van de plastische kunsten in het begin van de jaren ’80 van de vorige eeuw.

 

Dat moet je toch even verduidelijken.

 

In het begin van de jaren ’80 was de schilderkunst dood. Figuratieve, representatieve schilderkunst werd helemaal als iets idioots beschouwd. Mijn medestudenten vielen in katzwijm voor Joseph Beuys, voor conceptuele kunst. Ik tekende landschapjes. Dat was dus uiteraard géén kunst. We zijn dat stadium gelukkig gepasseerd, maar er zijn generaties schilders kapot  gemaakt door die obsessie met conceptuele kunst en de veronderstelling dat de schilderkunst dood was. De redenering luidde dat de abstractie zijn eindpunt bereikt had toen Malevich een wit vierkant op een witte achtergrond schilderde. Hoe abstracter kan het daarna nog worden? En de figuratieve schilderkunst was zinloos geworden omwille van de fotografie. Waarom zou je nog iets schilderen als een foto een nauwgezetter beeld kan maken? 

Ik heb mijn thesis gemaakt over het hyperrealisme, een stroming in de schilderkunst van het einde van de jaren ’60 en het begin van de jaren ’70. Hyperrealistische schilderkunst baseert zich radicaal op de fotografie en de schilderijen lijken ook net foto’s. Maar dat zijn ze niet. De eerste generatie hyperrealisten hebben foto’s gigantisch uitvergroot, om ze dan te schilderen. Als je een foto uitvergroot én schildert op een formaat van 4 op 6 meter, zoals de Zwitserse hyperrealist Franz Gertsch deed in zijn werk ‘Medici’, dan wordt het duidelijk dat elk onderdeel ervan eigenlijk een abstract schilderij is. De Brits-Amerikaanse hyperrealist Malcolm Morley ging daar nog verder in. Hij deelde zijn referentiefoto op in vierkantjes, bedekte die allemaal, op ééntje na, draaide dan de foto en zijn doek om, en schilderde vierkantje per vierkantje alles op z’n kop. Zo kwam hij volledig los van de afbeelding en schilderde hij enkel nog abstracte vierkanten. Op het eind van de rit draaide hij zijn doek om en warempel, je had dan een fotorealistisch schilderij. Dat deed me beseffen dat representatieve, figuratieve of realistische schilderkunst eigenlijk helemaal niet over het onderwerp of de figuratie gaat. Het gaat over de act van het schilderen zelf. Over de toets, de geste, de schriftuur, over compositie, kleurkeuze, over keuzes die je maakt… Het onderwerp, figuratief of niet, is eigenlijk volstrekt onbelangrijk.

 

Dat heb je van Michel Buylen meegekregen?

 

Ik heb van hem geleerd dat kunst fictie is. Dat stelt de conceptuele kunst voor een probleem. Want de urinoir van Duchamps, Fountain uit 1917, is géén fictie. Het is gewoon een urinoir. Zet ‘m voor je voordeur en de mannen van de vuilniskar nemen hem mee. Niemand zal begrijpen dat het om kunst gaat, zonder dat je de context ervan kent.

 

Je kan toch zeggen dat conceptuele kunst fictie is omdat, als je een voorwerp uit de context haalt, het plots een andere betekenis krijgt.

 

Het gaat inderdaad om de context en niet om de intrinsieke kwaliteiten van het werk. Vergelijk het met het vingerkootje van Sint-Zus-en-zo dat ergens in een gouden schrijn tentoon gesteld wordt. Het gaat gewoon om een stukje bot, dat van om het even wie kan zijn. De kans dat het tot de voornoemde heilige behoort, is minimaal. Een banaal stukje bot krijgt pas betekenis door de context, namelijk door het in een gouden schrijn te plaatsen dat op z’n beurt in een kerkgebouw wordt gezet én de zegen krijgt van machtige mannen, bisschoppen, pausen en dat soort. Welnu, datzelfde is gebeurd in de plastische kunsten. Kunstpausen - machtige mannen - hebben objecten hun zegen gegeven en hen daardoor een sacrale waarde toegekend. Ze hebben die objecten in hun tempels geplaatst - musea noemen we ze - en de gelovigen aangespoord er in diepe devotie voor te buigen. Het was de tijd van de curatoren-kunstenaars. Museumdirecteurs waanden zichzelf artiest en de kunstenaars waren hun materiaal. Jan Hoet behoorde zonder twijfel tot die generatie curatoren-kunstenaars.

 

Maar zij gaven, precies door dat te doen, wel een bijkomende betekenis aan dingen die betekenisloos leken.

 

Een betekenis die eerder met literatuur dan met plastische kunsten te maken heeft. Zonder de bijhorende tekst heb je er geen idee van waarover het gaat. Je moet de catalogus gelezen hebben. Vergelijk het met het Lam Gods. De meeste mensen weten vandaag evenmin waar dat precies over gaat, want ze kennen de complexe christelijke iconografie niet meer. Maar als je het Lam Gods voor je voordeur zet, zal dat niet door de vuilniskar meegenomen worden. De beoordeling van het Lam Gods gebeurt niet op basis van de literatuur, maar op basis van de intrinsieke schilderkunstige kwaliteiten. Die zijn bij het Lam Gods fenomenaal. Als je de geschiedenis van de schilderkunst overloopt, zijn de werken die de tand des tijds doorstaan hebben, die ons blijven raken, altijd werken die een intrinsiek plastische kwaliteit hebben. Als je het bijhorende verhaaltje kent, is dat aardig meegenomen, maar het is niet essentieel om het schilderij te appreciëren. Je hoeft echt geen kenner van de klassieke mythologie te zijn om een Caravaggio te appreciëren.

 

Je hoeft de Spaanse burgeroorlog niet te kennen om Guernica te appreciëren…

 

Precies. De kwaliteit van Guernica zal je misschien aansporen om er meer over te weten te komen en je zo bij de Spaanse burgeroorlog brengen, maar het is niet essentieel om het werk te kunnen appreciëren. Essentieel is hoe Picasso schilderde. Alles, maar werkelijk alles kan goed of slecht geschilderd worden. Kijk naar de studie van een haas van Albrecht Dürer. Dat is verdomme een groot konijn. Meer is dat niet. Maar het is wel een iconische tekening uit de West-Europese plastische kunsten.

 

Je hoort toch nog steeds zeggen: dat is technisch goed getekend…

 

Techniek heeft te maken met de beheersing van je materialen, niet met het feit of je met een eenvoudige toets het licht kunt doen dansen op een mantel, zoals Rembrandt dat zo geweldig kon. Techniek is ervoor zorgen dat je verf niet craqueleert na een paar jaar, techniek is weten welke pigmenten transparant zijn en welke niet, het is weten hoe grondlagen samengesteld zijn en welke invloed dat heeft op de materialen waarmee je schildert of tekent. Techniek is niet: amaai het lijkt straf op een foto. Als je twee zogenaamd ‘technisch knappe’ realistische schilders exact hetzelfde onderwerp laat schilderen, zal je nog steeds twee totaal verschillende schilderijen krijgen. Hun vermeende ‘techniek’ bepaalt het verschil niet. 

 

Waar zit het verschil dan?

 

Het is de schilderkunstige act zelf die het verschil maakt. Dat is iets heel mysterieus omdat we - gelukkig wellicht - niet weten wat nu precies van een schilderij een ‘goed’ schilderij maakt. Mochten we dat wél weten, dan zou de computer meesterwerken maken aan de lopende band. Wijlen Etienne Vermeersch ging er trouwens van uit dat dat mogelijk is.

 

Waarom fascineert je dat zo? Representatieve schilderkunst - iets wat gelijkt op de werkelijkheid, zeg maar -  duurde zowat tot aan de impressionisten. Van dan af gaat het van het figuratieve weg, in de richting van de abstractie en het conceptuele.

 

Ik ben een grote liefhebber van abstractie. Ik moet wenen bij het werk van Rothko of Anish Kapoor, ik heb zelf twee etsen van Mark Tobey, de vader van het abstract expressionisme. Ik zie weinig verschil tussen abstracte en representatieve schilderkunst. Dat gezegd zijnde, de hoogdagen van de abstractie waren van korte duur. Figuratie is, sinds het hyperrealisme, terug mogelijk geworden en is vandaag zelfs dominant. Als je ziet wie nu de belangrijke Vlaamse plastische kunstenaars zijn, dan zijn dat nagenoeg allemaal mensen die op een of andere manier representatieve kunst maken: Michaël Borremans, Cindy Wright, Sam Dillemans, Jan Fabre, Rinus Van de Velde, de schitterende marines van Thierry De Cordier, ja zelfs Luc Tuymans, hoewel die laatste eigenlijk een conceptuele kunstenaar is die schildert. Ik denk ook aan Koen Fillet, ook een journalist die jarenlang zijn penseel aan de wilgen heeft gehangen en terug is beginnen schilderen. Ook figuratief.

 

Waarom heb je zelf nooit met abstractie geëxperimenteerd?

 

Goh, wellicht omdat ik graag naar de werkelijkheid kijk. Ik heb altijd dingen getekend uit mijn onmiddellijke omgeving. Ik heb weinig ambitie wat mijn onderwerpen betreft. Ik wil geen verhalen vertellen. Ik teken bomen. En landschappen met bomen er in. Maar dat is iets persoonlijks. Veel meer dan de opkomst van de fotografie is het feit dat plastisch kunstenaars hun onderwerpen vrij kiezen, een breuk met het verleden. Je werkte als kunstenaar vroeger in de regel in opdracht. Iemand met veel geld vroeg je om het portret te maken van een of andere hertogin en dan deed je dat. Wat trouwens bevestigt dat het onderwerp onbelangrijk is. Niemand valt in katzwijm omdat Antoon van Dyck in 1617 Cornelius Van der Geest heeft geportretteerd, maar wel van hoe Van Dyck dat heeft gedaan. Wat de kunstenaar ermee doet, is wat telt. Het heeft me altijd gefascineerd hoe dat neurologisch in elkaar zit. Men kent de taalcentra in de hersenen en allicht zul je ook wel de centra kunnen ontdekken waar zich beelden vormen. We hebben als mens de neiging om te ‘denken’ in taal, onze gedachten kristalliseren zich in woorden en zinnen en we uiten ze ook met taal. Het is daarom moeilijk te erkennen dat we ook kunnen ‘denken’ in beelden. Als je een schilder aan het werk ziet, lijkt het alsof die zomaar, spontaan wat vegen of strepen op een doek zet. Ik ben er van overtuigd dat de plastische kunstenaar ‘denkt’ in beeld en materie. Dat is een uiterst interessant proces. Hoe werk dat juist? Als ik teken of schilder, besef ik voortdurend dat ik eigenlijk niet weet wat ik aan het doen ben, of liever, dat ik niet in woorden kan uitdrukken wat ik precies doe. Daar kan ik ’s nachts uren over zitten tobben.”

 

Zeg je nu dat zelfs hyperrealistische tekeningen of schilderijen een soort écriture automatique zijn?

 

Ja. Ik hoor mensen zeggen: dat is zo gedetailleerd en fijn getekend. In werkelijkheid is dat niet zo. Het is gekras, gekribbel, geveeg, dikwijls heel onbezonnen en wild aangebracht. Ik veeg grafietpoeder uit, ik maak vlekken met wateroplosbare grafiet, ik kras met mesjes of gebruik schuurpapier… Het ontstaat allemaal veel minder ‘beheerst’ dan het er op het einde uitziet.

 

Teken je naar levend model of gebruik je foto’s?

 

Bijna altijd vertrek ik van een foto. Dat is gewoon gemakkelijker. Een belangrijke klus heeft de fotografie dan immers al voor je gedaan, namelijk de omzetting van de derde naar de tweede dimensie. Het gebruik van de fotografie in de plastische kunsten wordt nog steeds met veel vooroordelen geconfronteerd. Hoewel de Westerse schilderkunst eigenlijk gekenmerkt wordt door de fotografische conventie, eerst en vooral via het wetenschappelijk perspectief, daarna via de camera obscura en later via de fotografie en de chemische afdrukken ervan. Het afsnijden van een onderwerp in het beeldvlak is bijvoorbeeld een typische fotografische conventie. Je weet wel, als er aan de rand van een schilderij slechts een halve persoon wordt afgebeeld en de rest zich buiten beeld afspeelt. Zoiets kan je met het blote oog nooit zien, want het oog snijdt geen onderwerpen af. Een camera doet dat wel. De fotografie is vooral een handig technisch hulpmiddel dat door heel wat kunstenaars gebruikt werd en wordt, zelfs door kunstenaars waarvan we het nauwelijks vermoeden zoals Delacroix of Ingres.

 

Ik keer even terug in de tijd. Je bent gefascineerd door kunst, anders ging je als jonge gast niet naar de academie maar zat je achter de meisjes aan…

 

In de academie zitten ook meisjes hoor. En die zijn vaak veel interessanter dan diegenen die er buiten rondlopen.

 

(lacht) Jaja. Wat ik wil zeggen, het is een belangrijk stuk van je leven. Plots stop je daarmee, omwille van de journalistiek. Daar ben je uitgestapt en je bent niet meteen teruggekeerd naar de schilderkunst.

 

Belangrijk was dat ik in het schrijven, ook het journalistieke schrijven, een soort creatieve voldoening heb gevonden. Ik had nooit een of andere bureaujob kunnen volhouden. Schrijven, met taal werken, je zinnen boetseren… tja, dat is toch ook geweldig. Maar het knaagde al langer om opnieuw te tekenen. Een aantal tekeningen die ik nu tentoon stel, is gebaseerd op foto’s die ik tien jaar geleden heb gemaakt, met de bedoeling er ooit een tekening van te maken.

 

Maar je bent eerst in de politiek terecht gekomen.

 

Precies, eerst als adviseur van Steve Stevaert, daarna op een aantal kabinetten en sinds een hele poos al op het Europees parlement. Ook daar ben ik blijven schrijven, wat die creatieve voldoening voeding bleef geven. Op de duur is tekenen echter een dwingende noodzaak geworden. Dat heeft louter te maken met het politieke klimaat van vandaag. Dat is zo hatelijk geworden dat ik er dreigde onderdoor te gaan. Ik begon zelfs duistere gedachten te krijgen. Ik ben van nature nogal een optimist, maar het is vandaag bijzonder moeilijk geworden om optimistisch te blijven. Ik maak me de laatste jaren grote zorgen, niet enkel omwille van het sociaal-politieke klimaat dat is ontstaan, waarin polarisatie en het oppoken van haat de norm is geworden, maar ook omwille van de klimaatverandering zelf en het gebrek aan politieke actie bij een groot aantal partijen. Dat gaat over de toekomst van mijn kinderen hé. Het besef dat alle inspanningen die je daarvoor levert, ondermeer in het team van Kathleen Van Brempt waar ik nu voor werk, eigenlijk zo goed als niets uithalen, is zéér ontmoedigend.

 

De politiek is toch niet de meest evidente plek om te gaan werken als creatieveling?

 

Waarom niet? Ik heb nu de binnenkant van de politiek gedurende een kleine twintig jaar kunnen meemaken. Net zoals overal zitten daar ezels en charlatans. Maar mijn algemene indruk over de politiek is dat daar vooral mensen werken die echt bekommerd zijn om de samenleving, correcte, vriendelijke mensen zijn die keihard werken, zo hard dat ze nauwelijks nog een privéleven hebben, en die als dank daarvoor dagelijks bakken goor en vuilnis over zich uitgestort krijgen. Je wenst je ergste vijand niet toe dat hij politicus wordt. Het is zo erg geworden dat ik het gewoon niet meer aan kon. Ik moest iets vinden om daaraan te ontsnappen.

 

Wat je omschrijft, klink als een burn out.

 

Als ik het niet heb gehad, dan heb er er toch dicht tegenaan geschurkt, ja. Ik heb ernstig aan psychologische hulp gedacht, maar het is tekenen geworden. Dat heeft ongelooflijk geholpen. Het focust je aandacht op iets buiten die bubbel van haat in de samenleving en het heeft de kwaliteit van meditatie. Het verplicht je om afstand te nemen.

 

Dat geldt ook voor koken en ik weet dat jij heel graag kookt.

 

Koken heeft diezelfde meditatieve impact, maar koken is functioneel. Je kan niet in het midden van de nacht zomaar wat beginnen koken. Dat is het wonderlijke aan tekenen en schilderen: het is volstrekt nutteloos. Daarmee kom je veel dichter bij wat het betekent om mens te zijn. Er is ons ingeprent dat we nuttig moeten zijn, moeten ‘opbrengen’. Wij moeten, van zodra we onze ogen ’s ochtends open doen, tot we ze ’s avonds weer sluiten, nuttig zijn. Denk je nu werkelijk dat sapiens op de grasvlakten van Afrika een hele dag nuttig zat te wezen? Mensen en andere zoogdieren doen wat nodig is om te overleven en daarnaast liggen ze wat lui op hun krent of ze amuseren zich een beetje. Althans, zo zou het moeten zijn. We doen vandaag veel te weinig nutteloze dingen. Door opnieuw nutteloos te zijn voor de samenleving heb ik een beetje geestelijke gezondheid terug gewonnen.

 

Heeft het ook niets te maken met het teruggrijpen van controle? Je zit daar in die politieke omgeving en wat je ook doet, het lukt niet. Als je tekent, heb je opnieuw controle over wat je doet.

 

Ik heb het nooit zo bekeken, maar inderdaad ik denk dat je gelijk hebt. Je doet weliswaar iets totaal nutteloos, maar je hebt wel de indruk dat je opnieuw greep op de dingen krijgt. Ook wel prettig is dat de mensen er vriendelijk op reageren. Ik was echt verbluft hoeveel positieve reacties ik plots kreeg via sociale media. Dat was hartverwarmend.

 

De overgang van ‘hé vuile sos’ naar, ‘hé gij kunt wel goed tekenen’?

 

Het is inderdaad de overgang van “ge hebt ons geld afgepakt en door deuren en ramen gesmeten, een beetje de corrupte uitgehangen, uw zakken vol gestoken, ons belogen en bedrogen… afijn je kent het verhaal. En plots krijg ik complimenten over mijn tekeningen van aanhangers van Bart De Wever. Ik zou liegen als ik zou zeggen dat dat geen deugd doet. De impact is groter dan wat ik ooit had durven denken. Soms raakt me dat emotioneel ook heel diep. Zo kreeg ik een berichtje via Facebook van een vrouw die polste naar de prijs van een tekening en me liet weten dat dat toch een beetje te veel was voor haar budget. Een maand later contacteerde ze me opnieuw met de vraag of dat werkje nog beschikbaar was. Ze was gaan bijwerken in de horeca om het zich te kunnen aanschaffen. Dat is als een bliksemschicht naar mijn hart gegaan. Dat was zo ontzettend ontroerend. Zoiets helpt tegen een burn out, ja.

 

Als ik nu de naam Stevaert op tafel gooi…

 

Steve schilderde ook. Abstracte werken. Maar hij heeft ze nooit publiek durven tonen. Hij hechtte een groot belang aan ‘out of the box’ denken, aan creativiteit… Hij vond het belangrijk dat ook creatieve geesten in de politiek aanwezig zijn. Wij worden bestuurd door een erg beperkte selectie profielen: politicologen, economen, geschiedkundigen en advocaten. Ik beweer niet dat daar geen creatieve mensen tussen zitten, maar een diverser politiek profiel zou misschien soms een frissere kijk opleveren.

 

Stevaert was een out of the box denker, maar hij heeft jou overtuigd om als een kindred spirit nog meer out of the box te denken. Als zo iemand plots wegvalt, moet dat toch ook een grote impact hebben gehad.

 

Ik ben daar kapot van geweest. De impact van Steve’s dood is groter geweest dan het overlijden van mijn vader. Ik heb weken gebleird. Ik ben ook heel kwaad geworden: onnozelaar, in een kanaal springen. Zijt ge nu op uw kop gevallen. Dat gevoel. Ik denk nog heel dikwijls aan hem. Hij was ook de peter van mijn zoontje, Raven. We zagen elkaar vaak, ook buiten de werkuren. Sommige christenmensen vragen zich af: What would Jesus say? Ik denk dan: wat zou Steve daarvan gedacht hebben? Het griezelige is, dat een aantal kenmerken die Steve uniek maakten in de politiek, vandaag terug te vinden zijn bij een andere politieke leider, namelijk Bart De Wever. Ik noem het griezelig omdat de finaliteit zo anders is. Waar het bij Steve ging over een inclusieve samenleving waar het ‘gezellig’ is voor de mensen, gaat het bij De Wever over uitsluiting en afgunst die uiteindelijk tot verruwing leidt. Steve was een bouwer, De Wever is een sloper. Maar beiden zijn het politici die als geen ander het talent hebben voor massa-psychologie, die complexe problemen eenvoudig kunnen verwoorden, die de kunst van de politieke framing tot in de kleinste details beheersen. Pas op, Steve was geen heilige. Hij was ook een machtspoliticus, maar het maatschappijbeeld waar hij voor stond, was toch oneindig veel vriendelijker dan dat van De Wever.

 

Maar wat heeft dat gedaan met Jan de Zutter? Ze zeggen altijd: zelfdoding is een definitieve oplossing voor een tijdelijk probleem.

 

Dat denk ik ook. Daarom was ik zo kwaad.

 

Hij zou er wel doorgesparteld zijn?

 

Daar ben ik van overtuigd. Maar het heeft geen zin om daarover te speculeren. Het is wat het is. Ik heb soms héél irrationale dingen gedacht, zoals ‘hij heeft iets heel slims bedacht, is tijdelijk verdwenen, maar gaat terug opduiken.’ Dat soort dingen. Ik droomde erover dat hij in Cuba woonde bijvoorbeeld. Echt, de zotste dingen. Ik kan het niet goed verklaren. Waarom klikt het zo goed met iemand? Een van de meest intelligente uitspraken die ooit over de vriendschap werden geformuleerd komt van Michel de Montaigne, toen die antwoordde op de vraag waarom hij van zijn vriend Etienne de la Boétie hield: ‘Parce que c'était lui, parce que c'était moi.’ Omdat hij het was en omdat ik het was. Tja, wat is dat precies? Je kan het niet in woorden vatten en wellicht is dat de reden waarom het zo schoon is.

 

Had het ook niet het effect dat je je begon af te vragen: als dat wereldje van de politiek en de media een mens daartoe kan drijven, waar ben ik dan eigenlijk mee bezig?

 

De vraag stellen is ze beantwoorden. Hoewel eerder de rol van de media dan die van de politiek van belang was. De essentiële taak van de media is controle uitoefenen op het democratisch functioneren van de politiek.  De media moeten ‘de kroon ontbloten’, de etterende wonde bloot leggen, tonen waar het fout gaat. Maar als ‘de kroon ontbloten’ het doel wordt en niet langer het middel om wantoestanden aan te tonen, dan is in theorie iedereen aangeschoten wild. Ik vrees dat we daar zijn aanbeland. Dat is echt zorgwekkend. Die evolutie is al lang aan de gang. Ik herinner me de tijd dat het bon ton was te denken dat kranten als het Laatste Nieuws verantwoordelijk waren voor de verruwing van het politieke klimaat en de opkomst van extreem-rechts in Vlaanderen. Ik heb daar altijd over getwijfeld. Ook de zogenaamde kwaliteitskranten zoals De Morgen en De Standaard hebben daartoe bijgedragen, al was het maar door de politiek af te schilderen als een bende idioten die voortdurend ‘vechtend over de kasseien rollen’. Ik vertel je geen geheim als ik zeg dat er in ons land nooit of te nimmer politici vechtend over de kasseien rollen. Maar het staat wel zo in de gazet. Jij weet ook net zo goed als ik hoe kranten conflicten creëren die niet bestaan. Een lid van de regering zegt ’s ochtend iets en als je een beetje journalist bent, weet je welke nuttige idioot uit diezelfde coalitie je moet bellen, die net het tegenovergestelde zal beweren. Dan is er een conflict, waarvan je de indruk wekt dat het buiten je wil ontstaan is. Dan kan je schrijven dat de coalitie vechtend over de kasseien rolt. In werkelijkheid was er geen conflict, het is ’s ochtends op de redactievergadering gecreëerd. En morgen zal dat conflict verdwenen zijn, want dan schilt men patatten op de krant waarin dat conflict stond. Het heeft niets met journalistiek te maken, niets met de rol van een vrije pers in een democratische rechtsstaat, maar alles met commercie of het ego van de betrokken journalist. Dat is pervers. Dat maakt een samenleving kapot. Ik mag zoiets eigenlijk niet zeggen, want ik ben woordvoerder van een politieke partij. Ik zou daar, in het belang van mijn partij en van de politicus waarvoor ik werk, beter mijn mond over houden. Maar ik ga dat nu eens niet doen. 

 

Even weg van de mediakritiek. Je gebruikte daarstraks het woord ontsnappen. Escapisme dus.

 

Tja. Het heeft natuurlijk met mijn job als politiek woordvoerder te maken. Ik zit in de bubbel waarin ik dagelijks geconfronteerd wordt met de hardheid van de media en het politieke leven. Mocht ik een andere job doen, zou dat wellicht anders zijn.

 

Je hebt dit nodig om mentaal gezond te blijven.

 

Ook om de balans te vinden. Ik besef ook wel dat ik in een bubbel leef en dat er daarbuiten nog wel wat andere dingen aan de gang zijn. Het is toch een kwestie om een beetje een realistisch beeld van de wereld te krijgen. De politiek en de media zijn maar een heel klein onderdeel van de werkelijkheid. In de echte werkelijkheid kweken mensen kanaries, spitten ze in hun tuin, blinken ze de velgen van hun auto op. Ze zijn echt niet alle dagen bezig met de meest recente richtlijn van de Europese Unie, of een essay van een of andere senior writer over de bedreigde identiteit van de Vlaming. Het blijft dus belangrijk om kanaries te kweken of te tekenen of zoiets.

 

Onderwerpkeuze interesseert me niet zeg je. Waarom gaat dan negentig procent van je tekeningen over bomen?

 

Zoals ik zei, onderwerpkeuze is iets persoonlijks. Ik wil je daar wel wat over vertellen. Ik ben van kinds af geïnteresseerd in de natuur. Ik ging niet alleen naar de academie, waar was ook een fervente birdwatcher bij de Belgische Jeugdbond voor Natuurstudie. Nu nog maken mijn vrouw en ik lange wandelingen in de natuur. Vooral mijn vrouw is gefascineerd door oude bomen, dus organiseren we die wandelingen zo dat we telkens die bomen kunnen bezoeken. Wat net zo belangrijk is, is dat bomen redelijk gemakkelijk zijn om te tekenen. Als je na dertig jaar opnieuw begint, dan pik je er niet meteen de moeilijkste onderwerpen uit, nietwaar?

 

Hoezo gemakkelijk?

 

Wel, als je een tak verkeerd tekent, ziet niemand dat. Als je in een portret een oog een fractie van een millimeter verkeerd zet, dan is je portret naar de vaantjes. Een boom is een dikke stok, met allemaal kleine stokjes eraan. Dat is dus makkelijker.

 

Ik geloof je niet helemaal. Je bent ook met natuurreligie bezig. Je bezoekt bomen die honderden jaren oud zijn en waar misschien een van jouw druïde-voorvaderen in geklommen is.

 

Dat laatste betwijfel ik, want dan zou het over een hele oude boom moeten gaan. Maar ik begrijp wat je wil zeggen. Bomen leren me wel wat. Over onderlinge verbondenheid bijvoorbeeld. De essentie van religie is het diepe besef dat alles met elkaar verbonden is, dat wij letterlijk opgebouwd zijn uit stof van de sterren en dat alles van elkaar afhangt. Als je in een poëtische bui bent, kan je die diepe verbondenheid God noemen. Bomen zijn daar een goede metafoor voor, want zij zijn ook met elkaar verbonden en communiceren met elkaar, ondermeer via een reusachtig ondergrondse netwerk van schimmels, een soort bio-internet onder de grond. Bomen en schimmels werken samen, hebben elkaar nodig. Bomen waarschuwen elkaar bij een aanval van insecten, ze ondersteunen elkaar ook als een exemplaar door onheil is getroffen. Bomen zijn als het ware solidair met elkaar. Ik wil maar zeggen, bomen zijn eigenlijk sossen. Om op je vraag terug te keren. Dit is dus gewoon iets persoonlijks, het heeft weinig belang voor de schilderkunst.

 

Van onderwerp naar materiaal. Ik lees met fascinatie op je Facebook-prikbord over tientallen soorten grafiet, over silverpoint of Chinese klei. Is het vergelijkbaar met wat een goeie kok zegt: om goed te koken, moet je eerst goeie ingrediënten hebben.

 

Ja. Dat is ook een soort van zelfrespect én respect voor wie je werk uiteindelijk zal kopen. Kijk, als je jezelf respecteert, probeer je wat je doet, goed te doen. Dan gebruik je liever geen brol. Als je de uiteindelijke eigenaar van het werk respecteert, dan zorg je ervoor dat je lichtechte pigmenten en een UV-bestendige vernis gebruikt, zodat het werk dat hij of zij gekocht heeft, niet binnen een paar jaar volledig verbleekt is. Als je je kinderen wil leren om van een goede wijn te genieten, dan kies je ook niet een fles goedkope, zure bucht, maar laat je hen een kwaliteitswijn proeven.

Eens je je materialen hebt leren kennen, openen er zich nieuwe werelden. De technologie vandaag helpt daarbij. Dertig jaar geleden had je enkel grafietpotloden en met wat geluk wateroplosbare potloden. Nu bestaat er grafiet in pan-vorm, zoals aquarelblokjes, in poedervorm, zelfs als een soort grafiet-deeg waarmee je kan tekenen. Gisteren heb ik vloeibare houtskool besteld. Geen idee wat ik ermee ga doen.

 

Je werkt nu vooral met gewoon grafietpotlood…

 

Dat is niet eens een bewuste keuze. Ik zei het al, ik ben bomen binnen tekenen omdat bomen vrij makkelijk zijn om te tekenen. En ik ben terug beginnen tekenen met grafiet, omdat tekenen nu eenmaal begint met een grafietpotlood. Het is pas later dat ik al die nieuwe mogelijkheden van grafiet heb ontdekt. Dan wordt het echt interessant. Grafiet is een vrij recent medium om mee te tekenen. Het werd pas ontdekt in 1565 door een boer op zijn land ergens in Groot-Brittannië bij een omgewaaide eik. Als je je wat begint te verdiepen in de geschiedenis van grafiet wordt het heel interessant. Grafiet is op atomaire basis eigenlijk hetzelfde als diamant. Alleen hangen de onderdelen wat anders aan elkaar, waardoor grafiet een soort zwarte smurrie is en diamant een edelsteen. Door te beseffen dat grafiet pas sinds de zestiende eeuw - eigenlijk zelfs wat later - gebruikt werd als tekenmateriaal, begin je je ook af te vragen waarmee kunstenaars daarvoor tekenden. Zo kom je terecht bij zilver en goud of bij lood en koper. Daar ben ik dan ook mee beginnen tekenen. Silverpoint heeft een bijzondere, bijna etherische kwaliteit. Bovendien oxideert zilver, wat betekent dat je tekening nadien van tint zal veranderen. Die onvoorspelbaarheid van het eindresultaat is behoorlijk spannend.

 

Zit je nog in een ontdekkingsproces of heb je inmiddels de techniek ontdekt waarmee je verder aan de slag wil gaan?

 

Plastische kunsten blijven altijd een ontdekkingsproces. Dat geldt in mijn geval héél zeker, omdat ik pas een jaar opnieuw ben begonnen. Er is nog zoveel te ontdekken. Ik broed nu op schilderen met bijenwas, enkaustiek, een oude techniek waar zowel Griekse als Romeinse schilders gebruik van maakten.

 

Wat brengt de toekomst?

 

Bijenwas hé. 

 

Dat bedoel ik niet. Stel, hypothetisch: op de vernissage blijkt je hele tentoonstelling uitverkocht te zijn. Denk je dan niet: hier kan ik misschien een broodwinning van maken?

 

Zelfs mocht alles uitverkocht zijn, dan kan je daar nog steeds niet van leven hoor. Het is slechts weinigen gegund om van hun kunst te leven. Dat geldt voor schrijvers, voor acteurs, voor muzikanten en ook voor plastisch kunstenaars. Ik denk dus dat ik mijn job op het Europees parlement nog een legislatuur zal volhouden. Dan begint tot mijn eigen verbazing en horror, de pensioenleeftijd te lonken. Een gepensioneerde schilder worden, dat lijkt me wel iets.

Malcolm Morley, A studio visit

Les cinq soldats de Porcheresse II, grafiet op paneel, 30 x 30 cm

Nuthatch, silverpoint op paneel, 10 x 10 cm

Near Marchin, grafiet op paneel, 20 x 20 cm

Back

Deze website maakt gebruik van cookies. Zie onze Privacybeleid voor meer informatie.

OK