Gezond zoet is illegaal in Europa


We zijn er dol op, maar het is niet goed voor ons: suiker. Nochtans is er een natuurlijk, caloriearm alternatief dat afkomstig is van een Zuid-Amerikaanse plant, stevia. Onder druk van de suikerlobby werden stevia-zoetstoffen in de Verenigde Staten en Europa verboden. Afgelopen december hief de Amerikaanse Food en Drug Administration het verbod op en vanaf dit jaar brengen zowel Coca Cola als Pepsi met stevia gezoete drankjes op de markt. Alleen Europa zwicht nog voor de suikerlobby.

Jan de Zutter


Als we onze inkopen doen, is het de smaak van voedsel en niet de voedingswaarde, die er ons toe aanzet het ene product wel en het andere niet te kopen. Wat we als ‘smaak’ omschrijven, is eigenlijk het aroma van voedsel dat vorm krijgt door de combinatie van smaak én geur. Echte smaak speelt zich af op de tong, waar de smaakreceptoren van ruim 10.000 smaakpapillen ons toelaten vijf verschillende sensaties te ervaren: zoet, zuur, zout, bitter en umami. Dat laatste wordt omschreven als ‘de hartige ervaring’, bijvoorbeeld in vlees- en kaasproducten. Maar de allereerste smaakervaringen die we opdoen als foetus, zijn zoet. Ongeboren en pasgeboren kinderen houden al van zoet en hebben ook een notie van zuur. De andere smaken leren ze kennen tijdens de eerste levensmaanden. Onze smaakreceptoren voor zoet zijn echter relatief beperkt. Daarom houden we dus van ‘veel zoet’.

Dat we zo dol zijn op zoet is bovendien niet zo verwonderlijk. Suiker zit barstensvol energie. Onze verre voorouders zouden wel gek zijn geweest om matig om te springen met zoete bessen en vruchten. Maar die waren niet altijd en zeker niet in overvloed, aanwezig. Jagers-verzamelaars sprongen daarom een gat in de lucht als ze op een rijk gevuld bijennest botsten. Vandaag zitten in nagenoeg alle producten toegevoegde suikers, zowel geconcentreerde calorierijke suikers uit suikerriet en suikerbieten (sucrose, bestaande uit glucose en fructose) als natuurlijke of artificiële caloriearme zoetmakers. Maar met al die suikers lijkt er wel iets mis te zijn. Voedingsspecialisten hebben ellenlange lijsten met argumenten die aantonen dat suiker niet goed is voor de gezondheid. Het geeft aanleiding tot diabetes en overgewicht, verhoogt de cholesterol, heeft schadelijke effecten op het groeihormoon, kan bijdragen tot sommige kankers en cardiovasculaire ziektes, kan hyperactiviteit veroorzaken of het zicht negatief beïnvloeden... De lijst is eindeloos. En over artificiële caloriearme zoetstoffen werden er al evenveel griezelige rapporten geschreven.

Maar we hebben allemaal een beenhard argument om wel suiker te gebruiken: Het smaakt verdomd lekker. En dat is niet zo verwonderlijk. Suiker, zo weten we nu, maakt een mens high. Nu ja, het stimuleert de productie van een prethormoon, de vrolijke neurotransmitter dopamine, in de hersenen. Dopamine speelt daar een plezierige rol bij genot, blijdschap, welzijn, motivatie en beloning. Het komt ook vrij na een potje geweldige seks. Geen wonder dat liefde zoet smaakt, love sweet love.

Suiker maakt een mens dus  artificieel ‘gelukkig’ en dat legt de suikerindustrie geen windeieren. De suikerproductie uit suikerbieten en -riet steeg tijdens de vorige eeuw van 9,6 miljoen ton tot 150 miljoen ton in 2005-06. Europa produceert 14 procent van de wereldproductie - ongeveer 21 miljoen ton - en is daarmee de tweede suikerproducent ter wereld. Europa heeft dus een belang te verdedigen als het over suiker gaat. Dat werd al duidelijk toen de eerste suikervervanger, saccharine, werd ontdekt. In het begin van de twintigste eeuw overtuigde de Europese suikerbietindustrie de regeringen om de goedkope saccharine enkel op voorschrift beschikbaar te stellen. Zo verhinderde ze dat het nieuwe product een geduchte concurrent zou worden. Het gevolg was dat saccharine over de Zwitserse grens werd gesmokkeld in autobanden, koffers met een dubbele bodem en champagneflessen.

Wij verslinden jaarlijks zo’n 40 kilogram suiker per persoon, tegenover 5 kg in 1900. Onze dagelijkse hoeveelheid bedraagt zo’n 110 gram. Die zit grotendeels verborgen in verwerkte levensmiddelen, zoals frisdrank, maar ook in pakweg worst of ketchup. Onze dagelijkse portie ligt daarmee vier keer hoger dan wat een mens zou binnen krijgen mocht hij onverwerkte producten uit de natuur eten. Suiker is big business en er spelen dus gigantische financiële belangen die verdedigd worden door een tot op de tanden bewapende suikerlobby. Toen de Wereldgezondheidsorganisatie in 2003 de strijd aanging met de toenemende vetzucht in ontwikkelde landen, botste ze meteen op de suikerbaronnen. De WGO stelde dat suiker in een verantwoord menu niet meer dan tien procent van de energie mag leveren, maar kreeg weerwerk van het International Life Sciences Institute, dat berekende dat 25 procent een voldoende strenge norm was. Die ‘onafhankelijk’ wetenschappelijke instelling werd echter betaald door Coca Cola, Pepsi, General Foods, Kraft en Procter & Gamble. De Suikerindustrie nam op die manier de technieken van de tabakslobby over door te werken met zelfgefinancierde, pseudowetenschappelijke instellingen. Het was niet de eerste keer dat de suikerlobby actief was. Professor Philip James, de Britse expert die de International Obesity Task Force leidde die in 1990 het eerste WGO-rapport schreef over voeding, ontdekte dat de suikerindustrie een van Washington’ s toplobbyisten had ingehuurd om te “verhinderen dat nieuwe normen een bedreiging zouden vormen voor de economische ontwikkelingen in derdewereldlanden.” Nadat druk geen invloed leek te hebben op de WGO dreigde de Amerikaanse Suikerassociatie ermee de Amerikaanse overheidssteun van 406 miljoen dollar voor de WGO te laten schrappen. Dat toonde aan dat de suikerlobby heel wat Amerikaanse politici in hun zak had. Vooral de Bush-administratie was dikke maatjes met de suikerboeren. Die stortten met plezier een deel van hun winsten in verkiezingsfondsen. Tijdens de verkiezingen van 2004 gaven twee suikerfabrieken uit Florida alleen 925.000 dollar aan de campagnekassen.

Wellicht is ook het werk van de suikerlobby ervoor verantwoordelijk dat een prima en gezond alternatief voor suiker, zowel in de VS als in Europa verboden is. Stevia rebaudiana is een Zuid-Amerikaanse struik - familie van de aster - die in 1899 voor het eerst beschreven werd door de Zwitserse botanicus dr. Moises Bertoni. De plant was in Europa al langer bekend door de verslagen van de Spaanse Conquistadores die beschreven hoe inboorlingen een plant gebruikten om kruidenthee te zoeten. De bladeren van stevia bevatten zoetstoffen die géén calorieën leveren. Bertoni merkte al op dat “het belang van Ka he’e (stevia) te maken heeft met het feit dat de plant saccharine  - de eerste artificiële zoetmaker - kan vervangen.” Bertoni sprak van een gezond, sterk zoetmiddel - 300 keer sterker dan gewone suiker - dat bovendien erg goedkoop is. Die laatste bemerking zou wel eens de oorzaak kunnen geweest zijn van het georganiseerde verzet tegen de plant.

Stevia werd in de jaren ’70 in Japan goedgekeurd en dook op in allerlei producten, gaande van zoete soyasaus tot dieet cola. De Japanse cola light bevat inmiddels opnieuw het omstreden aspartaam, omdat de colaproducenten de wereldmarkt wilden ‘standaardiseren’. Ondertussen is 41 procent van de Japanse zoetstoffenmarkt in handen van stevia-producenten. Vandaag bedraagt de jaarlijkse productie van stevia wereldwijd 50.000 ton. Dat betekent dat 93 miljoen mensen dagelijks op een of andere manier steviabladeren, extracten of gezuiverde steviol glycosides consumeren. Alleen in de VS en Europa steigerden de gezondheidsinspecties. In 1987 gingen inspecteurs van de Amerikaanse Food and Drug Administration de strijd aan tegen de plant. Eén van de inspecteurs merkte op dat die acties het gevolg waren van klachten NutraSweet, producent van aspartaam. In 1991 kwam er in de VS zelfs een invoervoerbod, dat in 1994 wat werd afgezwakt. Stevia werd toen wel toegelaten als voedingssuplement. Je kon het dan zelf in je thee kieperen, maar het product kon niet verwerkt worden in voedingsmiddelen. Dat was een handicap voor bedrijven die er grootschalig in wilden investeren, wat precies de bedoeling was van de suikerlobby.

Vandaag staat stevia in de VS aan de vooravond van een hernieuwde belangstelling, nu de Food and Drug Administration eind vorig jaar de deuren opende voor de verkoop van de zoetstof en stevia het GRAS-label gaf (Generally Recognized As Safe). Twee versies van stevia staan inmiddels in de winkel onder de merknaam Truvia - ontwikkeld door Cargill en de Coca Cola Company - en PureVia - ontwikkeld door Pepsi en Merisant. Coca Cola en Pepsi gebruiken stevia nog niet in hun cola’s, maar richten zich voorlopig op de jonge, gezondheidsbewuste consumenten die fruitdrankjes willen. Coke is van plan dit jaar Sprite Green en Odwalla vruchtensap, beiden gezoet met stevia, te promoten bij jongeren. Pepsi gebruikt stevia in de SoBe LifeWaters met fruitsmaak.

In Europa zijn we nog lang niet zo ver. De Europese Commissie heeft in 1998 op advies van het Scientific Committee on Food (SCF) stevia verboden als voedingsmiddel én als voedingssupplement. Een van de grote voorvechters van Stevia is de Belgische hoogleraar Jan Geuns van het labo voor Functionele Biologie aan de KULeuven. Ook Geuns bevestigt dat het verbod op Stevia in Europa het gevolg is van lobbywerk van de suikerindustrie en geen ernstige wetenschappelijke grond heeft. Vooral nu ook het Joint Expert Committee on Food Additives (JECFA) van de Verenigde Naties in juni vorig jaar besloot dat stevia-extracten veilig zijn voor menselijk gebruik. Ondertussen ligt er sinds twee jaar bij het European Food Security Agency (EFSA) een dossier van de Leuvense hoogleraar dat het verbod wil doen opheffen. Maar volgens experts kan dat niet gebeuren voor 2011. Europa zal daarmee een van de laatste belangrijke landen zijn die stevia van de markt hielden onder druk van de suikkerlobby.