Kastanje

​

Takken schieten op, de kat

rept zich over het gras en vogels fluiten 

mij tot de orde. Hoe fladdert dat door elkaar
in mijn hoofd, terwijl zij in zichzelf alleen bestaan.

​

Tot ik van de bomenrij de wijkende haarlijn,
van de kasseien de rouwranden merk. Zie dan mijn schoenen

die de grond omwoelen, mijn neus die gebladerte 

proeft, een tinteling die mijn handen wrijft. 

​

Rupsenhaar op mijn huid. In bomen kan de kap,

voor de kat daar kan een klap, voor vogels lood.
Worden ze daarvoor behoed in taal?

Alsof in woorden niets gist, geen distels

​

pluizen zaaien, zwammen geen voet aan de grond krijgen
in wat ik schrijf. Smelt de ijskap, dan valt mij alleen
een vloed van woorden in. Maar neem liever geen bomen.
Zij weten met elke winter blijf.

​

Paul Demets

Deze website maakt gebruik van cookies. Zie onze Privacybeleid voor meer informatie.

OK