Opening tentoonstelling Jan De Zutter, Arbor

door prof. dr. Maximiliaan Martens

​

Brugge, 31 mei ’19

Beste Jan,

Angélique, familie,

Vrienden (reële en virtuele) en genodigden,

En gij allen, die hier verdwaald zijt binnen gelopen omdat ge terecht vermoedt dat er een receptie volgt,

​

Voor de gelegenheid nam ik Erasmus’ Lof der Zotheid weer ter hand en vond er enkele passages in die dezer dagen toepasselijk zijn.

​

“Wat is er dwazer dan als kandidaten voor de verkiezingen nederig het volk naar de mond te praten, met uitkeringen populariteit te kopen, jacht te maken op het applaus van zovele dwazen, te genieten van toejuichingen, in een triomftocht rondgedragen worden als een standbeeld … Dwazer kan niet en één Democritus is niet genoeg om er om te lachen.”

​

En even verder betrekt Erasmus de lachende filosoof Democritus op zichzelf en op tekenaars in een apocriefe passage 

“… Wat is er nog zotter dan dat volkje dat haar dagen nutteloos vult met tekenen, allen hopend dat zij ooit met de lauwerkrans van Apelles zelve zullen worden getooid. Eerst hakken ze bomen om, maken er plankskens van of vermalen het hout tot papier; om er dan weer bomen op te tekenen… Democritus schatert om deze mallemolen, niets anders dan een serpent dat in de eigen staart bijt…”

​

Ik zou het niet eens zijn met Erasmus, maar hij heeft het niet geschreven; ik heb het voor de gelegenheid verzonnen.

​

Tekenen is de moeder van alle kunsten. “Elke dag een schets,” zei de leraar in de kunsthumaniora. En dit zei naar verluidt Apelles al in de 3e eeuw voor onze tijd: “Nulla dies sine linea”: geen dag zonder lijn! En neen, hij had het niet over wit poeder.

​

Eén van de meest treffende verhalen gaat over Apelles die zijn vakgenoot Protogenes in Rhodos opzocht maar hem niet in zijn atelier aantrof. Wanneer een huishoudster vroeg wie hij was, antwoordde Apelles: “Zeg dat het deze persoon is” en hij nam een penseel en schilderde een hele fijne gekleurde lijn op een groot geprepareerd paneel dat op de ezel klaarstond, waarna hij vertrok. Wanneer Protogenes thuiskwam, herkende hij meteen Apelles’ hand aan de sublieme penseelvoering, trok er in een andere kleur een nog fijnere lijn over en droeg de huishoudster op om, wanneer de bezoeker zou terugkeren, te zeggen dat hij degene was die Apelles zocht. Zo gebeurde, en Apelles trok er in nog een andere kleur een derde, meest denkbaar fijne lijn over. Protogenes erkende dat hij verslagen was en zei dat dit paneel – het allereerste abstracte schilderij – voor het nageslacht moest bewaard worden om het vooral door kunstenaars te laten bewonderen. En volgens Plinius werd dit zo goed als blanco werk met enkel een bijna onmerkbare lijn lang bewaard op het Capitool, waar het erg werd bewonderd.

​

Rubens tekende in een Liber Amicorum van een humanistische vriend, een volmaakte cirkel. Niets meer! Het ultieme bewijs van zijn artistieke kunnen. En Rembrandt schilderde op één van zijn late zelfportretten twee cirkels: de volmaakt getekende cirkel als embleem van het kunstenaarschap. Jan, jij weet wanneer er opgedragen wordt een cirkel te tekenen als bewijs van meesterschap. 

​

In een recent interview met jou vraagt Yves Desmet je naar de betekenis van technisch kunnen, waarop je repliceert dat techniek te maken heeft met de beheersing van materialen. Het is voor jou een voorwaarde, geen doel. Het artistieke ligt hem in het ‘gestuele’. Ik geef je volkomen gelijk. Mijn collega, de musicoloog Marc Leman, heeft het in een recent boek over ‘the expressive moment of embodied knowledge’. Het onderscheid tussen de finalisten in de Elisabethwedstrijd is niet hun techniek: ze zijn er allen feilloos in, want in een competitie overleef je niet zonder die voorwaarde. Het gaat erover wat ze met al hun geïnterioriseerde vaardigheid doen op het ogenblik van de uitvoering; hoe al die ‘embodied knowledge’ zich uit in een expressief moment. Ik denk dat we daar bijzonder dicht komen bij een algemeen geldende definitie van hoe goede kunst wordt gemaakt; zij het nog niet tot een definitie van wat het ‘is’. Je zegt verder dat je geïnteresseerd bent in hoe dat neurologisch werkt: wel, het wordt in Marcs boek uiteengezet op basis van empirisch onderzoek, zij het toegepast op de act van musiceren, en dan vooral met betrekking tot de interactie tussen muzikanten tijdens die act. Ik kan het je dus aanraden (The Expressive Moment, MIT Press 2016). 

​

Wat je materiaal betreft, kies je voor grafiet en zilverstift. Grafiet (potlood) kent iedereen, of dat denken we toch. Je gelooft het of niet. In mijn cursus Technologie van de Beeldende Kunsten, geef ik oefeningen in het herkennen van materialen. Het gaat uiteraard vooral over het verschil tussen een ets en een gravure, een litho en een zeefdruk e.d. Eén student slaagde erin om potlood niet te herkennen en dacht dat het penseel was. Ik vrees dat we stilaan in een tijdperk komen waarin men slechts toetsen herkent, geen verftoetsen, maar die van het keyboard en de smartphone. 

​

Maar iets meer over zilverstift. Zilverstift was het geprefereerde tekenmateriaal van de Vlaamse Primitieven. Niets tekent zo fijn als een metaalstift op geprepareerd papier. De fijne lijntjes oxideren en worden zo zichtbaar. Vandaar ook mijn verhaal over Apelles en zijn hele fijne lijnen. 

​

Er bestaan heel wat soorten metaalstiften, in allerlei legeringen. De enige tekening die we met zekerheid aan Jan van Eyck kunnen toeschrijven, is inderdaad in zilverstift: de portretstudie van Kardiaal Albergati in Dresden. De chemische analyse van die tekening wees uit dat ze met drie metaalstiften is getekend: twee zilverstiften in verschillende legeringen met lood en één goudstift. Ik krijg al een vermoeden wat je straks vannacht online zult bestellen…

​

Hij gebruikte ook datzelfde materiaal voor de kleuraanduidingen, de enige autografe teksten die we van hem kennen: ‘’tusschen den ouge, sanguinachtich, boven ten hairwair bleicachtich, die wratte purperachtich […]”

​

Quinten Metsys gebruikte zelfs zilverstift in zijn ondertekeningen: bijzonder moeilijk zichtbaar, niet alleen omdat ze zo fijn zijn en weinig respons geven in infraroodstraling, maar door de bovenliggende verflaag werden afgesloten van de lucht en niet verder konden oxideren.

​

Ik probeerde het toevallig zelf ook eens tijdens een workshop vorig jaar en ervaarde vooral hoe ontzettend moeilijk het is om met zilverstift te schaduwen: het vereist niet alleen onwaarschijnlijk veel geduld maar een bijzonder vaste hand.

​

Je zegt in het interview ook dat je weinig ambitie hebt wat de keuze van je onderwerpen betreft: je tekent landschappen met bomen en vogeltjes, dingen uit je directe omgeving. Ik vind dat wel ambitieus. Voor zover we weten komt de keuze voor het schilderen van alleen maar bomen voor het eerst voor bij ons in een schilderij van Gerard David van ca. 1500 in het Mauritshuis: enkel bomen en de speling van het licht op het gebladerte.

​

De grote Bruegel was de eerste die diep in het woud ging om oude verweerde bomen te tekenen, in pen weliswaar. Hij had dat opgepikt in Italië van mensen zoals Titiaan, en op de terugweg van zijn Italiëreis, tekende hij de Alpen, misschien beter bekend: die bergen lijken te leven, als een overweldigende oerkracht in de natuur. En dat is ook bij jou het geval. 

​

De tentoonstelling loopt onder de titel ‘Arbor’: het Latijn voor boom, in het enkelvoud. Wanneer men een oude solitaire boom ziet in de natuur, fascineert dat; men associeert dat al sinds mensenheugenis inderdaad met magische oerkracht. Het zijn die oude mythische plaatsen die uitnodigen om samen te komen of alleen de natuur te bewonderen. Dàt is het onderwerp en lijkt mij ambitieuzer, universeler, rappelleert aan onze verbondenheid als mens met de natuur en met ons verleden. Je wijst terecht op het biochemisch ondergronds communicatienetwerk tussen bomen, planten, sporen. Dit is heel erg ambitieus, veel meer dan, zeg maar, een oud verroest winkelrek met stinkend vet.

​

En dan is er natuurlijk ook het frame dat je kiest, de focus op het onderwerp, de speling van het licht op de verschillende texturen: het hout, de bast, de knoestige wortels, het gebladerte dat het licht filtert, de kiezels en keien errond, het pad dat ernaar toe leidt. Ook dat verleent betekenis, niet zozeer literair of extra-artistiek, maar performatief, haptisch, tastbaar. Het gaat om de vertaalslag van wat je hebt geobserveerd in, zoals jezelf zegt ‘gekriebel, gekras, geveeg’. Bij observatie van dat wild getekend spel, ondergaat men een emotie, volgens mij omdat de aandachtige toeschouwer het in zekere zin natekent met de ogen en die verbondenheid die jij voelde opnieuw beleeft.

​

Deze tentoonstelling is ook een uitnodiging om het werk zelf te komen bekijken in zijn specifieke materialiteit. Hoe evident dat ook moge zijn; de meesten hier aanwezig hadden tot vanavond enkel je werk gezien op het scherm van hun computer. Foto’s in jpg-formaat die niet meer dan 256 grijswaarden tonen tussen het meest extreme wit tot het aller donkerste zwart. Het dynamisch bereik van het menselijk oog is exponentieel veel groter: we zien miljoenen grijswaarden. Daarom ontwaren we hier veel beter het subtiele verglijden van grijs in de wolken of in het gras bij de menhirs, de diverse tonaliteiten in het zwart van de vormen in tegenlicht en tegelijkertijd het verblindingseffect van de ondergaande zon. 

Jan: je beëindigt het interview met te zeggen dat het je wel wat lijkt om een gepensioneerd schilder te worden. Ikzelf ben al een tijdje bezig met fotografie van landschappen en vooral de manipulatie van het rauwe beeld in Photoshop, Lightroom en Luminar. Ik kom er nog niet mee naar buiten, maar ik heb ook de ambitie om een gepensioneerd beeldprutser te worden. We kunnen dat misschien broederlijk samendoen? En allebei weten we nu al wat we zullen antwoorden als ze ons nadien vragen waarom: ‘Parceque c’était luy, parceque c’était moi’.

​

​

​

Prof. Dr. Maximiliaan Martens

UGent - KVAB

Deze website maakt gebruik van cookies. Zie onze Privacybeleid voor meer informatie.

OK